Gerelateerde content
- Wet en parlementaire geschiedenis(1)
- Internationale regelgeving
- Lagere regelgeving
- Besluiten(12)
- Jurisprudentie(130)
- Commentaar NLFiscaal(5)
- Literatuur(52)
- Recent(3)
- Kennisgroepstandpunt(19)
- Annotatie wetsgeschiedenis NLFiscaal(1)
Samenvatting
X (belanghebbende) stelt zich in deze procedure op het standpunt dat een letselschade-uitkering moet worden vrijgesteld van de box 3-heffing, omdat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere slachtoffers (of nabestaanden van slachtoffers) van rampen.
Vast staat dat de letselschade-uitkering in fasen is uitgekeerd en vervolgens onderdeel is geworden van het vermogen van X. Daarmee is de wet in beginsel juist toegepast door het vermogen vervolgens na die uitkering(en) en dus ook in het in geschil zijnde jaar (2017) in de box 3-heffing te betrekken.
Hof Den Bosch is van oordeel dat slachtoffers (of nabestaanden van slachtoffers) van de blootstelling aan asbest, de MH17-ramp, de Volendam-ramp en de Enschede-ramp in beginsel vergelijkbaar zijn met X als het om de toegekende letselschadevergoedingen gaat. Van een begunstigende behandeling is echter naar het oordeel van het Hof niet gebleken. Het beroep van X op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet en ook het beroep op schending van artikel 1 Grondwet faalt.
Gelet op de in verband met het Kerst-arrest (HR 24 december 2021, 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, NLF 2022/0106, met noot van Dusarduijn) gegeven verminderingsbeschikking is het hoger beroep wel gegrond. Voorts heeft X vanwege overschrijding van de redelijke termijn recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.500.
BRON
Uitspraak op het hoger beroep van belanghebbende, wonend in woonplaats, hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 december 2021, nummer BRE19/2285, in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid), hierna: de minister.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2017 opgelegd.
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. Het tegen de aanslag IB/PVV 2017 gerichte bezwaar van belanghebbende, voor zover deze betrekking heeft op de rechtsvraag of de belastingheffing over het voordeel uit sparen en beleggen (hierna: box 3-heffing) in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol (hierna: EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM, maakte deel uit van de bezwaren die met toepassing van artikel 25c Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) zijn aangemerkt als massaal bezwaar.
1.3. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de massaalbezwaarprocedure en een deel dat betrekking heeft op de vraag of de box 3-heffing voor belanghebbende een individuele en buitensporige last vormt (hierna: het individuele bezwaar). De inspecteur heeft het individuele bezwaar ongegrond verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.7. De zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2023 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en [zoon] , zoon van belanghebbende. Namens de inspecteur is niemand verschenen.
1.8. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2. Feiten
2.1. Belanghebbende is geboren op 16 augustus 1948 en heeft in 2017 geen fiscaal partner.
2.2. Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2017 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.278 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.194. Het belastbaar inkomen bestaat uit een bedrag van € 39.103 aan looninkomsten en een aftrek eigen woning van € 9.825. Voor de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is belanghebbende uitgegaan van een rendementsgrondslag van € 557.389, bestaande uit onder meer (het restant van) een letselschade-uitkering. Belanghebbende heeft geen aftrekbare schulden en bij het bepalen van de grondslag voor berekening van het voordeel uit sparen en beleggen is rekening gehouden met een heffingsvrij vermogen van € 25.000.
2.3.De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2017 conform de ingediende aangifte vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.278 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.194.
2.4. In zijn arrest van 24 december 2021 heeft de Hoge Raad in een in de massaalbezwaarprocedure geselecteerde zaak geoordeeld dat het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel van de box 3-heffing niet de uit artikel 1 EP voortvloeiende proportionaliteitstoets kan doorstaan. Voor degenen die door dit forfaitaire stelsel worden geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement, leidt dit naar het oordeel van de Hoge Raad tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten. In het genoemde arrest heeft de Hoge Raad aan belanghebbende voor de geconstateerde schending van zijn fundamentele rechten rechtsherstel geboden door te bepalen dat met betrekking tot de in die procedure voorliggende jaren (2017 en 2018) alleen het werkelijke rendement in de heffing wordt betrokken.
2.5. Bij collectieve uitspraak van 4 februari 2022 heeft de inspecteur de bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar gold gegrond verklaard.
2.6. Met dagtekening 21 juli 2022 is in verband met het rechtsherstel aan belanghebbende een verminderingsbeschikking opgelegd. Voor belanghebbende bedraagt de box 3-heffing na rechtsherstel € 4.088.
2.7. In het Besluit Diverse ‘tegemoetkomingen bij bijzondere gebeurtenissen’ (hierna: het Besluit) is in onderdeel 5 ten aanzien van de fiscale gevolgen voor asbestslachtoffers (voor zover hier van belang) het volgende vermeld:
2.8. In het Besluit is in onderdeel 6, ten aanzien van uitkeringen in verband met de vuurwerkramp in Enschede (voor zover hier van belang) het volgende vermeld:
6.2
2.9. In het Besluit staat in onderdeel 7, ten aanzien van de fiscale gevolgen van uitkeringen aan (nabestaanden van) de slachtoffers van de nieuwjaarsbrand in Volendam, het volgende vermeld:
2.10. Op één van de vragen van de Vaste commissie voor Buitenlandse Zaken over de vliegramp vlucht MH17 (meer specifiek de vraag over de kwalificatie van vergoedingen aan nabestaanden voor de inkomstenbelasting en Successiewet) was het antwoord van het kabinet als volgt:
2.11. In het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:
2.12. Belanghebbende heeft kort na ontvangst van het proces-verbaal een brief gestuurd naar de rechtbank, waarin hij het volgende heeft geschreven:
3. Geschil en conclusies van partijen
3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen:
I. Moet de letselschade-uitkering worden vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing van box 3?
II. Is door de rechtbank terecht geen immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend?
3.2. In hoger beroep is, zo heeft belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verklaard, niet meer in geschil dat de inspecteur met de verminderingsbeschikking afdoende rechtsherstel heeft geboden voor de in het Kerstarrest op regelgevend niveau vastgestelde schending van artikel 1 EP. Bovendien is niet meer in geschil dat de verminderde box 3-heffing voor belanghebbende geen individuele en buitensporige last oplevert.
3.3. Belanghebbende concludeert tot het niet meerekenen van de letselschade-uitkering bij het bepalen van de rendementsgrondslag voor box 3 en tot een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De inspecteur concludeert daarentegen tot een ongegrond hoger beroep betreffende de letselschade-uitkering.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
I. De letselschade-uitkering
4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de letselschade-uitkering moet worden vrijgesteld van de box 3-heffing, omdat hij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van andere slachtoffers (of nabestaanden van slachtoffers) van rampen. Een dergelijke nadelige behandeling is in strijd met het Besluit en met het discriminatieverbod uit de Grondwet, aldus belanghebbende.
4.2. De inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere belastingplichtigen met een letselschade-uitkering gunstiger worden behandeld.
4.3. Op grond van artikel 5.3, lid 1, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) is de rendementsgrondslag de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. Letselschade-uitkeringen zijn in de wet niet vrijgesteld van de rendementsgrondslag in box 3, ook niet voor zover bank- en spaartegoeden, aandelen en obligaties of andere bezittingen zijn terug te voeren op de ontvangen letselschade-uitkering. Daar is overigens bewust voor gekozen, gelet op het uitgangspunt van de box 3-heffing (het belasten van het rendement en niet het vermogen zelf waarop met het vrijstellen van letselschade-uitkeringen inbreuk zou worden gemaakt) en gelet op het risico op precedentwerking en verdere complexiteit van het belastingstelsel. Vast staat dat de letselschade-uitkering in fasen is uitgekeerd en vervolgens onderdeel is geworden van het vermogen van belanghebbende. Daarmee is de wet in beginsel juist toegepast door het vermogen vervolgens na die uitkering(en) en dus ook in het in geschil zijnde jaar in de box 3-heffing te betrekken.
4.4. Voor zover belanghebbende met zijn betoog stelt dat een strikte toepassing van de wet onredelijk of onrechtvaardig is en om die reden zou moeten worden afgeweken van de in 4.3 vermelde wettelijke bepaling, overweegt het hof dat de rechter moet rechtspreken volgens de wet en niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. Rechtspolitieke keuzes zijn voorbehouden aan de wetgever. Dat blijkt ook uit artikel 120 Grondwet, op grond waarvan de belastingrechter bepalingen uit de Wet IB 2001 niet aan de Grondwet mag toetsen. Reeds daarom faalt belanghebbendes betoog omtrent een gestelde strijdigheid met (artikel 1 van) de Grondwet.
4.5. De hiervoor bedoelde juiste wetstoepassing kan evenwel achterwege blijven wanneer algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden geschonden. Belanghebbende stelt, zo begrijpt het hof, in dat kader dat het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden en verwijst daarbij naar de fiscale behandeling van vergoedingen voor asbestslachtoffers en letselschade-uitkeringen aan slachtoffers (of nabestaanden van slachtoffers) van de MH17-ramp en van rampen in Volendam en Enschede. Volgens belanghebbende worden de vergoedingen die aan de hiervoor vermelde slachtoffers (of nabestaanden van die slachtoffers) zijn uitgekeerd namelijk wél vrijgesteld van box 3-heffing.
4.6. Aangezien belanghebbende gemotiveerd stelt dat gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld moet beoordeeld worden of de andere gevallen gelijk zijn en of deze begunstigend zijn behandeld. Indien hiervan sprake is dan slaagt een beroep op het gelijkheidsbeginsel in het geval de gunstige behandeling van die andere gevallen het gevolg is van gevoerd beleid, een oogmerk van begunstiging danwel dat in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen door onbedoelde fouten een begunstigende behandeling heeft plaatsgevonden.
4.7. Het hof is van oordeel dat slachtoffers (of nabestaanden van slachtoffers) van de blootstelling aan asbest, de MH17-ramp, de Volendam-ramp en de Enschede-ramp in beginsel vergelijkbaar zijn met belanghebbende als het om de toegekende letselschade-vergoedingen gaat, in die zin dat in alle gevallen een vergoeding is of wordt uitgekeerd vanwege een bijzondere dramatische gebeurtenis waarbij schade is geleden die aan anderen is toe te rekenen. Van een begunstigende behandeling is echter naar het oordeel van het hof niet gebleken. Ten aanzien van asbestslachtoffers heeft de staatssecretaris alleen een (mogelijk) standpunt ingenomen ten aanzien van heffing in box 1 (zie 2.7), maar zich niet uitgelaten over de fiscale behandeling van de letselschade-uitkering in box 3. In het geval van letselschade-uitkeringen die zijn uitgekeerd ten behoeve van slachtoffers van de Volendam-ramp heeft de staatssecretaris zich wel uitgelaten over de fiscale behandeling daarvan in box 3. Deze uitkeringen worden in de rendementsgrondslag van box 3 betrokken, zo volgt duidelijk uit de tekst van het Besluit (zie 2.9). Ontvangen (voorschot)uitkeringen die nabestaanden van de MH17-ramp hebben ontvangen horen eveneens tot de rendementsgrondslag van box 3 voor zover deze uitkeringen op een waardepeildatum in het bezit van die nabestaanden zijn (zie 2.10). De enige uitzondering die in het Besluit is opgenomen en waarvoor de staatssecretaris, gelet op de bijzondere omstandigheden van dat geval, een goedkeuring heeft verleend, ziet specifiek op de situatie van weduwen en (half)wezen die als gevolg van de Enschede-ramp een aanspraak hebben in de vorm van een voorschot op basis van een bepaalde regeling. De omvang of waarde van die aanspraak is, gelet op de vaststelling volgens die regeling, nog niet vast te stellen. Bij belanghebbende speelt die uitzonderlijke situatie niet, alleen al omdat vóór 2017 in fasen de letselschade-vergoeding aan belanghebbende is uitgekeerd en daarmee de omvang en waarde van de vergoeding wél is komen vast te staan.
4.8. Buiten de zich hier dus niet voordoende situaties dat sprake is van een oogmerk van begunstiging of dat sprake is begunstigend beleid, kan het gelijkheidsbeginsel nog slechts toepassing vinden in het kader van de meerderheidsregel. Een beroep op die meerderheidsregel kan slechts slagen wanneer in een meerderheid van de gevallen een juiste wetstoepassing opzij wordt gezet. Voor zover het hof belanghebbende begrijpt dat hij zich ook beroept op die meerderheidsregel als onderdeel van het gelijkheidsbeginsel slaagt dit betoog, gelet op wat hiervoor in 4.7 al is overwogen, evenmin. Nog in het midden gelaten of slachtoffers van de Enschede-ramp zich (gelet op het verschil in bepaalbaarheid van de omvang of waarde van de vergoeding) in een vergelijkbare situatie als belanghebbende bevinden wordt namelijk in een (overgrote) meerderheid van de door belanghebbende genoemde gevallen de juiste wetstoepassing niet opzij gezet.
4.9. Uit het voorgaande volgt dat de letselschade-uitkering van belanghebbende volgens een juiste wetstoepassing is meegenomen in de rendementsgrondslag van box 3, dat het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt en dat ook belanghebbendes beroep op schending van artikel 1 Grondwet faalt. De eerste geschilvraag moet dus ontkennend worden beantwoord.
II. Verzoek immateriële schadevergoeding
4.10. Niet in geschil tussen partijen is dat de rechtbank de redelijke termijn voor het doen van de uitspraak heeft overschreden. Belanghebbende is het echter niet eens met de beslissing van de rechtbank om voor die termijnoverschrijding geen schadevergoeding toe te kennen, omdat hij bij de rechtbank niet goed is begrepen (zie 2.11 en 2.12).
4.11. Het hof overweegt als volgt. Belanghebbende heeft ter zitting bij de rechtbank uitdrukkelijk en ondubbelzinnig het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn prijsgegeven. Belanghebbende heeft namelijk daar niet alleen naar voren gebracht dat zijn opmerking dat het proces lang duurde niet bedoeld was om een immateriële schadevergoeding te verkrijgen, maar vervolgens nogmaals, nadat de rechter de vraag voor de zekerheid herhaalde, aangegeven dat die opmerking niet als een dergelijk verzoek opgevat hoefde te worden. Het hof maakt daaruit op dat belanghebbende, gelet op zijn antwoorden, geen verzoek heeft gedaan en kent in dat kader meer gewicht toe aan dat wat in het proces-verbaal – een zakelijke weergave van de griffier van wat ter zitting heeft plaatsgevonden – is opgenomen dan aan het woord van belanghebbende dat hij toch iets anders zou hebben bedoeld of gezegd. Belanghebbende heeft hiermee niet voldaan aan de essentiële voorwaarde dat hij bij de rechtbank had moeten verzoeken om de vergoeding van de geleden schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft dus terecht geen immateriële schadevergoeding toegekend. Ook de tweede geschilvraag moet ontkennend worden beantwoord.
4.12. Dat betekent overigens niet dat belanghebbende geen recht heeft op een vergoeding, gelet op de omstandigheid dat hij in hoger beroep (voor het eerst met zijn brief van 4 april 2022) wel duidelijk heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof zal dus zelfstandig beoordelen of de redelijke termijn is overschreden, waarbij ook rekening wordt gehouden met de redelijke termijn voor de hoger beroepsfase.
4.13. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Indien een verzoek om een immateriële schadevergoeding voor het eerst in hoger beroep wordt gedaan, zoals in dit geval, geldt een termijn van vier jaar waarbinnen het hof uitspraak moet doen.
4.14. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
4.15. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met veertien maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) anderhalf jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.500.
Hiervan komt (afgerond) € 536 (5/14e) voor rekening van de inspecteur, omdat van de overschrijding (afgerond) vijf maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Het restant van € 964 komt voor rekening van de minister. Het hof merkt de minister in zoverre aan als partij in het geding.
Tussenconclusie
4.16. De slotsom is dat het hoger beroep, gelet op de verminderingsbeschikking, toch gegrond is. Er bestaat evenwel geen aanleiding om de aanslag IB/PVV 2017 verder te verminderen dan al is gebeurd met de verminderingsbeschikking.
Ten aanzien van het griffierecht
4.17. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 47 respectievelijk € 136 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.18. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof en de rechtbank, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.19. Dit bedrag bestaat uit een bedrag aan reiskosten van belanghebbende en (bij het hof ook de reiskosten van) zijn zoon voor het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank en het hof van, in totaal, € 82.
4.20. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5. Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
- verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- handhaaft de aanslag IB/PVV 2017, zoals nader vastgesteld bij ambtshalve beschikking van 21 juli 2022;
- veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 536 en de minister tot een bedrag van € 964;
- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 183 vergoedt;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 82.
De uitspraak is gedaan door P. Fortuin, voorzitter, J.M. van der Vegt en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van N.A. de Grave, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2023 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.
Metadata
Formeel belastingrecht