Beoordeling van eventuele verplichting om prejudiciële vragen te stellen
HvJ, 15 oktober 2024

Gerelateerde content
- Wet en parlementaire geschiedenis
- Internationale regelgeving(1)
- Lagere regelgeving
- Besluiten
- Jurisprudentie(82)
- Commentaar NLFiscaal(1)
- Literatuur(6)
- Recent(27)
Samenvatting
In deze zaak heeft het Sloveense Hooggerechtshof (Vrhovno sodišče) aan het HvJ prejudiciële vragen gesteld in het kader van een douaneprocedure.
Gevraagd is of het Unierecht zich verzet tegen een nationale bepaling of praktijk volgens welke een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet in een procedure inzake het verlenen van toestemming voor het instellen van beroep tot herziening, niet hoeft te onderzoeken of zij verplicht kan zijn om het HvJ een of meer prejudiciële vragen te stellen, ook al heeft een partij haar verzocht dit te doen.
Het HvJ verklaart voor recht dat artikel 267, derde alinea, VWEU verhindert dat een nationale rechterlijke instantie, wier beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in een dergelijke situatie een verzoek tot herziening afwijst zonder te onderzoeken of zij verplicht was een prejudiciële vraag aan het HvJ voor te leggen, voor zover de uitkomst van de zaak afhangt van de betekenis van een Unierechtelijke kwestie voor de rechtszekerheid, de uniforme toepassing van het recht of de ontwikkeling ervan.
Als het verzoek wordt afgewezen, moet de nationale rechterlijke instantie uitleggen waarom zij geen vraag aan het HvJ heeft voorgelegd. Dit kan zijn omdat (i) de vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil, (ii) de betrokken bepaling al door het HvJ is uitgelegd, of (iii) de juiste uitleg van het Unierecht zo duidelijk is dat er geen redelijke twijfel over bestaat.
BRON
ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
15 oktober 2024 (*)
In zaak C‑144/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Vrhovno sodišče (hoogste rechterlijke instantie, Slovenië) bij beslissing van 7 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 9 maart 2023, in de procedure
KUBERA, trgovanje s hrano in pijačo, d.o.o.
tegen
Republika Slovenija,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, D. Gratsias, M. Gavalec, kamerpresidenten, A. Arabadjiev (rapporteur), J. Passer, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: M. Longar, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 maart 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- KUBERA, trgovanje s hrano in pijačo, d.o.o., vertegenwoordigd door A. Velkaverh, odvetnik,
- de Sloveense regering, vertegenwoordigd door B. Jovin Hrastnik en N. Pintar Gosenca als gemachtigden,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller als gemachtigde,
- de Letse regering, vertegenwoordigd door K. Pommere en S. Zābele als gemachtigden,
- de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door P. P. Huurnink als gemachtigde,
- de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine als gemachtigde,
- de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Erlbacher, B. Rous Demiri en C. Urraca Caviedes als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 juni 2024,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 267, derde alinea, VWEU en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen KUBERA, trgovanje s hrano in pijačo, d.o.o. (hierna: „KUBERA”) en de Republika Slovenija (Republiek Slovenië), vertegenwoordigd door de Ministrstvo za finance (ministerie van Financiën, Slovenië), over een door de douane genomen maatregel ter handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 Artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 608/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad (PB 2013, L 181, blz. 15) luidt als volgt:
loveens recht
4 Artikel 22 van de Sloveense grondwet luidt:
5 Artikel 22, lid 1, van de Zakon o upravnem sporu (wet inzake bestuursrechtelijke geschillen) (Uradni list RS, nr. 105/06), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, bepaalt:
6 Artikel 367, lid 1, van de Zakon o pravdnem postopku (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) (Uradni list RS, nr. 73/07), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „ZPP”), bepaalt:
7 Artikel 367a ZPP luidt als volgt:
8 Artikel 367b ZPP is in de volgende bewoordingen gesteld:
9 Artikel 367c ZPP bepaalt het volgende:
10 Artikel 368 ZPP luidt:
11 Artikel 370, lid 1, ZPP bepaalt:
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
12 KUBERA, een onderneming die levensmiddelen en dranken verhandelt, heeft in Turkije 87 600 in Oostenrijk geproduceerde blikjes Red Bull gekocht en per schip naar de haven van Koper (Slovenië) vervoerd om ze in te voeren.
13 Bij twee besluiten van 5 oktober 2021 heeft de belastingdienst van de Republiek Slovenië op grond van artikel 17 van verordening nr. 608/2013 besloten deze blikjes in bewaring te nemen in afwachting van de uitkomst van de gerechtelijke procedure die Red Bull GmbH, de houder van de intellectuele-eigendomsrechten op die blikjes, was gestart ter bescherming van haar rechten.
14 Nadat de tegen deze besluiten ingediende bezwaren waren afgewezen, heeft KUBERA tegen die besluiten beroepen ingesteld bij de Upravno sodišče (bestuursrechter, Slovenië), die deze beroepen middels twee uitspraken heeft verworpen.
15 KUBERA heeft bij de Vrhovno sodišče, de verwijzende rechter, twee verzoeken om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening van de uitspraken van de Upravno sodišče ingediend en betoogt ter onderbouwing daarvan dat in het hoofdgeding aan de orde is of verordening nr. 608/2013 van toepassing is op een situatie waarin de ingevoerde goederen zijn geproduceerd door de houder van de industriële-eigendomsrechten op die goederen. Volgens deze onderneming gaat het om een belangrijke rechtsvraag in de zin van artikel 367a ZPP en is het daarom gerechtvaardigd dat het instellen van de beroepen tot herziening wordt toegestaan. KUBERA is van mening dat verordening nr. 608/2013 niet van toepassing op die situatie is en stelt dat, indien de verwijzende rechter het daar niet mee eens is, de kwestie aan het Hof moet worden voorgelegd met het oog op een prejudiciële beslissing.
16 De verwijzende rechter vraagt zich ten eerste af of hij op grond van artikel 267, derde alinea, VWEU verplicht is om, teneinde uitspraak te kunnen doen op de door KUBERA gedane verzoeken om beroep tot herziening te mogen instellen, over te gaan tot behandeling van haar verzoek om het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging van het Unierecht voor te leggen. Ten tweede vraagt hij zich af of hij, indien hij van oordeel is dat er geen reden is om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, krachtens artikel 47 van het Handvest verplicht is om zijn beslissing te motiveren, ook al hoeft een besluit tot afwijzing van het verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening volgens artikel 367c, lid 2, ZPP slechts summier te worden gemotiveerd.
17 De verwijzende rechter wijst erop dat het beroep tot herziening een buitengewoon rechtsmiddel tegen een onherroepelijke rechterlijke beslissing is en tot doel heeft om de rechtspraak te uniformiseren en er richting aan te geven, net zoals dat geldt voor de prejudiciële verwijzingsprocedure van artikel 267 VWEU. Aangezien het Unierecht ook deel uitmaakt van de Sloveense rechtsorde, moet hij via de herzieningsprocedure ook zorgen voor een juiste en uniforme toepassing van het Unierecht.
18 De herzieningsprocedure bestaat, aldus de verwijzende rechter, uit twee fasen, namelijk de fase waarin wordt bepaald of het instellen van beroep tot herziening moet worden toegestaan, en – indien beroep tot herziening mag worden ingesteld – de fase waarin de betrokken zaak inhoudelijk wordt beoordeeld.
19 Het instellen van beroep tot herziening kan volgens die rechter slechts worden toegestaan op uitdrukkelijk verzoek van een van de partijen in het betrokken geding en alleen indien wordt aangetoond dat de door de Vrhovno sodišče te behandelen rechtsvraag objectief gezien van belang is. In de fase waarin het verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening wordt beoordeeld, moet die rechterlijke instantie dus voorrang geven aan het algemeen belang in ruime zin, te weten de noodzaak om de samenhang van de rechtspraak en de uniforme toepassing van het recht te verzekeren, en niet aan het particuliere belang van de partijen in het geding. Deze fase vormt een „filter” voor de toegang tot de Vrhovno sodišče en beoogt te waarborgen dat deze rechterlijke instantie zijn constitutionele rol volledig vervult en binnen een redelijke termijn uitspraak doet.
20 De verwijzende rechter geeft verder aan dat uit de rechtspraak van de Vrhovno sodišče volgt dat het instellen van beroep tot herziening ook is toegestaan indien een partij genoegzaam aantoont dat de lagere rechter is afgeweken van de rechtspraak van het Hof of dat de betrokken zaak een vraag doet rijzen over de verenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht waarover geen rechtspraak van de Vrhovno sodišče bestaat. De Vrhovno sodišče heeft reeds meerdere malen toestemming voor het instellen van beroep tot herziening verleend op de grond dat de opgeworpen vraag van belang was voor zowel de uitlegging en de uniforme toepassing van het Unierecht als de ontwikkeling van het nationale recht. Vragen betreffende het Unierecht worden dus op dezelfde wijze behandeld als die welke betrekking hebben op het nationale recht.
21 De verwijzende rechter wijst er evenwel op dat het weliswaar niet is uitgesloten dat het juridische belang van een bij hem aanhangig gemaakte zaak kan voortvloeien uit overwegingen met betrekking tot het Unierecht, maar dat noch het feit dat dit recht kan worden toegepast bij de inhoudelijke beoordeling van de zaak, noch de omstandigheid dat een van de partijen in het geding – in haar verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening – oppert om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, op zichzelf voldoende is om het instellen van beroep tot herziening toe te staan.
22 De verwijzende rechter merkt op dat hij op grond van de ZPP dus niet verplicht is om reeds in het kader van de procedure voor het toestaan van het instellen van beroep tot herziening na te gaan of er al dan niet een prejudiciële vraag aan het Hof moet worden gesteld indien beroep tot herziening mag worden ingesteld.
23 De verwijzende rechter geeft ook aan dat zijn beslissingen op verzoeken om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep en dat hij, wanneer hij weigert het instellen van beroep tot herziening toe te staan, enkel aangeeft dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 367a ZPP.
24 Uit een beslissing van de Ustavno sodišče (grondwettelijk hof, Slovenië) van 31 maart 2022, aldus de verwijzende rechter, blijkt echter dat wanneer een van de partijen in het geding in het kader van het verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening het verzoek doet om het Hof krachtens artikel 267 VWEU te verzoeken om een prejudiciële beslissing, dat verzoek reeds moet worden behandeld bij de beoordeling van het verzoek om beroep tot herziening te mogen instellen. De Ustavno sodišče heeft tevens geoordeeld dat wanneer de Vrhovno sodišče een beslissing neemt waarbij een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening wordt afgewezen, artikel 47 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 22 van de Sloveense grondwet, vereist dat de laatstgenoemde rechterlijke instantie die beslissing op dezelfde wijze motiveert als haar rechterlijke beslissingen. Uit die beslissing van de Ustavno sodišče volgt dat de Vrhovno sodišče het verzoek om krachtens artikel 267 VWEU een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof, in het kader van de procedure voor het toestaan van beroep tot herziening moet onderzoeken, rekening houdend met de criteria die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof, en in haar beslissing om het instellen van beroep tot herziening niet toe te staan, moet aangeven waarom zij het Hof niet om een prejudiciële beslissing heeft verzocht, zodat de Ustavno sodišče in voorkomend geval kan nagaan of is voldaan aan de uit die rechtspraak voortvloeiende voorwaarden om af te wijken van de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting tot prejudiciële verwijzing.
25 De verwijzende rechter is weliswaar van oordeel dat de verzoeken van KUBERA om beroep tot herziening te mogen instellen, in casu niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 367a ZPP en dus niet kunnen worden toegewezen, maar wijst erop dat het hoofdgeding, gelet op de beslissing van de Ustavno sodišče van 31 maart 2022, een belangrijke vraag doet rijzen over de uitlegging van het Unierecht en dat hij om die reden het Hof krachtens artikel 267 VWEU om een prejudiciële beslissing moet verzoeken.
26 In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat hij, om bij de behandeling van het verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening te bepalen of een door een van de partijen in het geding opgeworpen vraag over de uitlegging van het Unierecht via prejudiciële verwijzing aan het Hof moet worden voorgelegd, een aantal samenhangende rechtsvragen moet beoordelen. Hij moet met name bepalen of het Unierecht van toepassing is op het betrokken geding, of de betrokken partij verlangt dat het Hof een prejudiciële beslissing geeft over de uitlegging van een regel van Unierecht en of een prejudiciële verwijzing noodzakelijk is. Daarvoor is in wezen reeds in dit stadium een inhoudelijke beoordeling van het beroep tot herziening vereist. De door de Ustavno sodišče voorgestane uitlegging waar het gaat om de uit artikel 267 VWEU voortvloeiende verplichting, houdt een volledige wijziging in van de benadering die de verwijzende rechter heeft gevolgd in het kader van zijn beslissingen op verzoeken om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening. Voorts merkt de verwijzende rechter op dat een prejudiciële beslissing van het Hof geen nuttig effect heeft in het kader van de procedure voor het toestaan van het instellen van beroep tot herziening, aangezien pas in het stadium van de inhoudelijke beoordeling van het beroep tot herziening kan worden bepaald of het Unierecht van toepassing is op de betrokken zaak en of het een uitlegging door het Hof vereist.
27 De verwijzende rechter vraagt zich tevens af of, gelet op het bestaan van de in de ZPP geregelde procedure voor het verlenen van toestemming voor het instellen van beroep tot herziening, kan worden aangenomen dat de rechterlijke beslissingen waartegen het instellen van beroep tot herziening niet wordt toegestaan, afkomstig zijn van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep en waarop de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting rust om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.
28 Ten slotte wenst de verwijzende rechter, voor het geval dat het Hof zou oordelen dat de verwijzende rechter reeds bij de beoordeling van het verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening moet beoordelen of het Hof om een prejudiciële beslissing moet worden verzocht, te vernemen of de onder meer in punt 51 van het arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C‑561/19, EU:C:2021:799), genoemde motiveringsplicht ook geldt voor beslissingen waarbij hij niet toestaat dat er beroep tot herziening wordt ingesteld.
29 In die omstandigheden heeft de Vrhovno sodišče de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
30 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 267, derde alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in een procedure tot behandeling van een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening waarvan de uitkomst afhangt van het belang dat de door een van de partijen in het geding opgeworpen rechtsvraag heeft voor de rechtszekerheid, de uniforme toepassing van het recht of de ontwikkeling ervan, dat verzoek om toestemming afwijst zonder te hebben beoordeeld of zij niet verplicht was om aan het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht die ter ondersteuning van het verzoek was aangevoerd.
31 Er zij aan herinnerd dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten – met name de invoering, samenstelling, bevoegdheden en werking van de hoogste nationale rechterlijke instanties – weliswaar tot hun eigen bevoegdheid behoort, maar dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Hieruit volgt dat het Unierecht er in beginsel weliswaar niet aan in de weg staat dat de lidstaten procedures voor het toestaan van bepaalde beroepen invoeren of andere selectie- of „filter”-systemen voor de rechtsgang naar de hoogste nationale rechterlijke instanties instellen, maar dat er bij de toepassing van die procedures of systemen moet worden voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit dat recht en in het bijzonder uit artikel 267 VWEU.
33 In dit verband moet worden benadrukt dat de prejudiciële verwijzingsprocedure van dat artikel, die de hoeksteen vormt van het door de Verdragen ingestelde gerechtelijke systeem, tot doel heeft de eenvormige uitlegging van het Unierecht te verzekeren door tussen het Hof en de rechterlijke instanties van de lidstaten een dialoog van rechter tot rechter tot stand te brengen. Aldus biedt deze procedure de mogelijkheid de coherentie, de volle werking en de autonomie van dat recht te verzekeren en, in laatste instantie, de eigenheid ervan in acht te nemen [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 176, en arresten van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 27, en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 73].
34 Wanneer er volgens het nationale recht geen hoger beroep openstaat tegen de uitspraak van een nationale rechterlijke instantie, is deze instantie in beginsel gehouden zich krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU tot het Hof te wenden wanneer voor haar een vraag over de uitlegging van het Unierecht of de geldigheid van een handeling van afgeleid recht wordt opgeworpen (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Consiglio Nazionale dei Geologi, C‑136/12, EU:C:2013:489, punt 25; 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 32, en 22 december 2022, Airbnb Ireland en Airbnb Payments UK, C‑83/21, EU:C:2022:1018, punt 79).
35 De verplichting voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, om het Hof een prejudiciële vraag te stellen, moet worden gezien in het kader van de samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties – in hun hoedanigheid van rechters belast met de toepassing van het Unierecht – en het Hof, ter verzekering van de juiste toepassing en eenvormige uitlegging van het Unierecht in alle lidstaten. Deze verplichting heeft met name tot doel te voorkomen dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet strookt met de regels van het Unierecht [arresten van 24 mei 1977, Hoffmann-La Roche, 107/76, EU:C:1977:89, punt 5; 4 juni 2002, Lyckeskog, C‑99/00, EU:C:2002:329, punt 14, en 4 oktober 2018, Commissie/Frankrijk (Roerende voorheffing), C‑416/17, EU:C:2018:811, punt 109].
36 Een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, kan enkel van die verplichting worden ontheven wanneer zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (arresten van 6 oktober 1982, Cilfit e.a., 283/81, EU:C:1982:335, punt 21, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 33).
37 Een dergelijke nationale rechterlijke instantie moet op eigen verantwoordelijkheid, op onafhankelijke wijze en met de nodige zorgvuldigheid beoordelen of zij verplicht is zich tot het Hof te wenden met betrekking tot de Unierechtelijke kwestie die voor haar aan de orde is gesteld, dan wel of er integendeel sprake is van een van de in het vorige punt genoemde situaties en zij dus is vrijgesteld van die verplichting (zie in die zin arresten van 15 september 2005, Intermodal Transports, C‑495/03, EU:C:2005:552, punt 37, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38 Wanneer er sprake is van een van die situaties, is die nationale rechterlijke instantie dus ook niet gehouden zich krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU tot het Hof te wenden indien de vraag betreffende de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht aan de orde wordt gesteld door een partij in het bij haar aanhangige geding (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Voorts moet worden opgemerkt dat beslissingen van een nationale rechterlijke instantie die door partijen voor de hoogste nationale rechterlijke instantie kunnen worden aangevochten, niet afkomstig zijn van een „nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep” in de zin van artikel 267 VWEU. De omstandigheid dat – zoals in het hoofdgeding het geval is – het betoog dat wordt aangevoerd om de betreffende beslissing aan te vechten is geformuleerd in het kader van een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening en daardoor slechts inhoudelijk kan worden beoordeeld indien die hoogste nationale rechterlijke instantie dat verzoek om toestemming toewijst, brengt niet mee dat partijen een beroepsgang wordt onthouden (zie in die zin arresten van 4 juni 2002, Lyckeskog, C‑99/00, EU:C:2002:329, punt 16, en 16 december 2008, Cartesio, C‑210/06, EU:C:2008:723, punt 76). Dat er toestemming moet worden verkregen, heeft dus niet tot gevolg dat de lagere rechterlijke instantie waarvan de beslissing kan worden aangevochten in het kader van een beroep tot herziening, een nationale rechterlijke instantie wordt waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep en waarop bijgevolg de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verwijzingsplicht rust.
40 Die plicht rust – onder voorbehoud van hetgeen in punt 36 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – daarentegen wel op de hoogste nationale rechterlijke instanties, zoals de Vrhovno sodišče.
41 In casu blijkt uit artikel 367a, lid 1, ZPP en uit de door de verwijzende rechter verstrekte aanwijzingen dat deze rechter, om te bepalen of het instellen van beroep tot herziening moet worden toegestaan, nagaat of de bij hem aanhangig gemaakte zaak een rechtsvraag opwerpt die van belang is om de rechtszekerheid, de uniforme toepassing van het recht of de ontwikkeling ervan te waarborgen.
42 Opgemerkt zij evenwel dat de in die bepaling genoemde specifieke gevallen uitsluitend betrekking hebben op situaties waarin er, wat de opgeworpen rechtsvraag betreft, sprake is van hetzij een beslissing van een nationale rechter in tweede aanleg die afwijkt van de rechtspraak van de hoogste nationale rechter, hetzij het ontbreken van rechtspraak van de laatstgenoemde rechter, hetzij het gebrek aan uniformiteit van zijn rechtspraak of die van de hogere nationale rechters. Geen van deze gevallen bevat echter een verwijzing naar het Unierecht, en in het bijzonder ook niet naar de stand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waar het gaat om de vraag die aan de orde is gesteld ter ondersteuning van een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening.
43 De verwijzende rechter geeft aan dat hij de genoemde bepaling aldus uitlegt dat hij niet verplicht is om bij de behandeling van het verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening te beoordelen of er in het kader van de herzieningsprocedure al dan niet aanleiding is om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de ter ondersteuning van dat verzoek opgeworpen vraag met betrekking tot het Unierecht.
44 De verwijzende rechter wijst er ook op dat wanneer het instellen van beroep tot herziening niet wordt toegestaan, er met de afwijzende beslissing onherroepelijk een einde wordt gemaakt aan de procedure. In dat geval kan de door de lagere rechter gegeven uitlegging van het Unierecht de in de betrokken nationale rechtsorde gehanteerde uitlegging worden, ook al zou de vraag die was opgeworpen ter ondersteuning van het verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening een prejudiciële verwijzing naar het Hof hebben gerechtvaardigd.
45 Een dergelijke nationale regeling of praktijk kan dus leiden tot een situatie waarin een vraag die ziet op de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht, in weerwil van de ingevolge artikel 267, derde alinea, VWEU op de Vrhovno sodišče rustende verplichting niet aan het Hof wordt voorgelegd, ondanks het feit dat die vraag wordt opgeworpen door een partij voor deze nationale rechterlijke instantie of door die rechterlijke instantie moet worden opgeworpen gelet op de door die partij aan de orde gestelde rechtsvraag, en dat er geen sprake is van een van de in punt 36 van het onderhavige arrest genoemde uitzonderingen.
46 Een dergelijke situatie kan afbreuk doen aan de doeltreffendheid van het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof en aan de verwezenlijking van de doelstellingen die dit artikel beoogt te bereiken, in het bijzonder het voorkomen dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet in overeenstemming is met de regels van het Unierecht.
47 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 15 maart 2017, Aquino (C‑3/16, EU:C:2017:209, punt 56), en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 61), volgens welke een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, ervan kan afzien om het Hof een prejudiciële vraag te stellen om redenen van niet-ontvankelijkheid die eigen zijn aan de procedure bij die nationale rechterlijke instantie, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen.
48 Het eerste van die arresten betrof immers een nationale regel op grond waarvan een cassatiemiddel niet-ontvankelijk is wanneer daarmee slechts wordt opgekomen tegen een van de gronden van de bestreden uitspraak, maar de andere gronden op zich volstaan om die uitspraak te verantwoorden (arrest van 15 maart 2017, Aquino, C‑3/16, EU:C:2017:209, punt 54). Het tweede arrest had betrekking op een nationale regel volgens welke een nieuwe vraag die door een partij na de instelling van het beroep voor de in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie aan de orde is gesteld, niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien deze vraag het voorwerp van het geding wijzigt (arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 60).
49 In de zaken die hebben geleid tot de in het vorige punt genoemde arresten, ging het om nationale regels die ontvankelijkheidsvereisten van zuiver procedurele aard vaststelden waarvan de niet-inachtneming de in laatste aanleg rechtsprekende nationale rechterlijke instantie belette het betreffende beroep inhoudelijk te behandelen.
50 Anders dan bij dergelijke regels het geval is, is het bij het criterium waarin artikel 367a, lid 1, ZPP voorziet om beroep tot herziening te mogen instellen, vereist dat de Vrhovno sodišče nagaat welk belang de rechtsvraag die is opgeworpen ter ondersteuning van het verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening, heeft voor de rechtszekerheid, de uniforme toepassing van het recht of de ontwikkeling ervan.
51 Daarnaast volgt uit vaste rechtspraak ook dat het beginsel van Unierechtconforme uitlegging van het nationale recht vereist dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, en met inachtneming van met name het verbod van uitlegging contra legem van het nationale recht, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken bepaling van Unierecht te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling [zie in die zin arresten van 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C‑397/01–C‑403/01, EU:C:2004:584, punten 118 en 119; 29 juni 2017, Popławski, C‑579/15, EU:C:2017:503, punten 31‑34, en 11 juli 2024, Skarb Państwa (Betalingsachterstand die niet significant is of een geringe vordering betreft), C‑279/23, EU:C:2024:605, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
52 Het vereiste van Unierechtconforme uitlegging houdt voor de nationale rechters met name de verplichting in om zo nodig vaste rechtspraak te wijzigen wanneer deze berust op een met de doelstellingen van het Unierecht onverenigbare uitlegging van het nationale recht. Bijgevolg kan een nationale rechter niet op goede gronden oordelen dat hij een nationale bepaling niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen op de enkele grond dat deze bepaling tot dan toe steeds is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met het Unierecht [zie in die zin arresten van 19 april 2016, DI, C‑441/14, EU:C:2016:278, punten 33 en 34; 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punten 72 en 73, en 11 juli 2024, Skarb Państwa (Betalingsachterstand die niet significant is of een geringe vordering betreft), C‑279/23, EU:C:2024:605, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
53 Gelet op het feit dat de nationale rechters bij uitsluiting bevoegd zijn om het nationale recht uit te leggen, staat het aan de verwijzende rechter om te beoordelen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in overeenstemming met de vereisten van artikel 267 VWEU kan worden uitgelegd. Het staat evenwel aan het Hof om hem bepaalde nuttige aanwijzingen te geven en daarbij rekening te houden met de informatie in de verwijzingsbeslissing [zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing), C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 64].
54 Zoals blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie over de ontwikkelingen die voortvloeien uit de in punt 24 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak van de Ustavno sodišče, lijkt een Unierechtconforme uitlegging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in casu mogelijk.
55 In dit verband moet worden opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen van de ZPP de Vrhovno sodišče niet lijken te verbieden om bij de behandeling van een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening te beoordelen of de ter ondersteuning van dat verzoek opgeworpen vraag betreffende de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht vereist dat het Hof om een prejudiciële beslissing wordt verzocht, dan wel onder een van de in punt 36 van het onderhavige arrest genoemde uitzonderingen valt.
56 In het bijzonder lijken de in artikel 367a, lid 1, ZPP genoemde gevallen niet uitputtend te zijn opgesomd. In die omstandigheden lijkt deze bepaling te kunnen worden uitgelegd in overeenstemming met de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting, in die zin dat het in die nationale bepaling neergelegde criterium met betrekking tot het belang van de opgeworpen rechtsvraag voor de rechtszekerheid, de uniforme toepassing van het recht of de ontwikkeling ervan, ook ziet op het geval waarin de partij in het geding die om toestemming verzoekt om beroep tot herziening in te stellen, een vraag opwerpt over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht die niet onder een van de in punt 36 van het onderhavige arrest genoemde uitzonderingen valt en bijgevolg vereist dat het Hof, gelet op de in de punten 33 tot en met 35 van dit arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van artikel 267 VWEU, om een prejudiciële beslissing wordt verzocht.
57 De in punt 55 van het onderhavige arrest bedoelde beoordeling impliceert geen grondiger onderzoek dan het onderzoek dat de Vrhovno sodišče krachtens artikel 367a, lid 1, en artikel 367b, lid 4, ZPP moet verrichten. Voor deze beoordeling is namelijk slechts vereist dat die rechterlijke instantie zich ervan vergewist dat de opgeworpen vraag relevant is voor de beslechting van het bij haar aanhangig gemaakte geding en dat zij in voorkomend geval nagaat of het noodzakelijk is dat het Hof de in die vraag aan de orde gestelde bepaling van Unierecht uitlegt omdat de betreffende vraag onder geen van de in punt 36 van dit arrest genoemde uitzonderingen valt.
58 Verder dient te worden benadrukt dat de verplichting die krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU op de nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep rust wanneer er geen sprake is van een van die uitzonderingen, de verantwoordelijkheid van die rechterlijke instantie om te beslissen in welke stand van de nationale procedure zij het Hof een prejudiciële vraag dient voor te leggen onverlet laat (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 56). Bovendien staat het aan de nationale rechterlijke instantie om te beoordelen of het in het belang van een goede rechtsbedeling is dat die vraag pas na een debat op tegenspraak wordt gesteld (zie in die zin arrest van 1 februari 2017, Tolley, C‑430/15, EU:C:2017:74, punt 32).
59 Het is dus aan een hoogste nationale rechterlijke instantie waarbij om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening is verzocht en die verplicht is het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, om te beslissen of zij daartoe overgaat bij de behandeling van dat verzoek om toestemming dan wel in een latere fase (zie naar analogie arrest van 4 juni 2002, Lyckeskog, C‑99/00, EU:C:2002:329, punt 18). Indien zij haar verzoek om een prejudiciële beslissing indient in het stadium van de behandeling van het verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening, dient zij de behandeling van dat verzoek op te schorten in afwachting van de prejudiciële beslissing en deze beslissing vervolgens mee te nemen bij haar beoordeling van de vraag of het instellen van beroep tot herziening moet worden toegestaan.
60 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 267, derde alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in een procedure tot behandeling van een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening waarvan de uitkomst afhangt van het belang dat de door een van de partijen in het geding opgeworpen rechtsvraag heeft voor de rechtszekerheid, de uniforme toepassing van het recht of de ontwikkeling ervan, dat verzoek om toestemming afwijst zonder te hebben beoordeeld of zij niet verplicht was om aan het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht die ter ondersteuning van het verzoek was aangevoerd.
Tweede vraag
61 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 267 VWEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in de beslissing waarbij zij overgaat tot afwijzing van een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening dat ook een verzoek bevat om aan het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht voor te leggen, moet aangeven waarom zij geen verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend.
62 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat uit het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel, gezien in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, volgt dat wanneer een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, van oordeel is dat zij niet gehouden is door de in artikel 267, derde alinea, VWEU neergelegde verplichting om het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, omdat er sprake is van een van de drie in punt 36 van het onderhavige arrest genoemde situaties, uit de motivering van haar beslissing moet blijken hetzij dat de opgeworpen vraag van Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil, hetzij dat de uitlegging van de betrokken bepaling van Unierecht blijkt uit de rechtspraak van het Hof, hetzij – bij gebreke van rechtspraak dienaangaande – dat de uitlegging van het Unierecht voor de nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet zo evident is dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan (arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C‑561/19, EU:C:2021:799, punt 51).
63 Uit het antwoord op de eerste vraag volgt dat, wanneer het niet gaat om de toepassing van – zuiver procedurele – niet-ontvankelijkheidsgronden als bedoeld in punt 49 van het onderhavige arrest, een hoogste nationale rechterlijke instantie zoals de Vrhovno sodišče een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening waarin een vraag over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht wordt opgeworpen, niet kan afwijzen zonder eerst te beoordelen of zij niet verplicht is het Hof om een prejudiciële beslissing over die vraag te verzoeken dan wel of de vraag onder een van de in punt 36 van dit arrest genoemde uitzonderingen valt.
64 Wanneer die hoogste nationale rechterlijke instantie overgaat tot afwijzing van een dergelijk verzoek op grond van een van die uitzonderingen, moet bij die afwijzing derhalve worden voldaan aan het in punt 62 van het onderhavige arrest genoemde motiveringsvereiste.
65 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 267 VWEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in de beslissing waarbij zij overgaat tot afwijzing van een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening dat ook een verzoek bevat om aan het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht voor te leggen, moet aangeven waarom zij geen verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, namelijk hetzij omdat de opgeworpen vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil, hetzij omdat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd, hetzij omdat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan.
Kosten
66 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 267, derde alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in een procedure tot behandeling van een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening waarvan de uitkomst afhangt van het belang dat de door een van de partijen in het geding opgeworpen rechtsvraag heeft voor de rechtszekerheid, de uniforme toepassing van het recht of de ontwikkeling ervan, dat verzoek om toestemming afwijst zonder te hebben beoordeeld of zij niet verplicht was om aan het Hof een prejudiciële vraag voor te leggen over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht die ter ondersteuning van het verzoek was aangevoerd.
2) Artikel 267 VWEU, gelezen in het licht van artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in de beslissing waarbij zij overgaat tot afwijzing van een verzoek om toestemming voor het instellen van beroep tot herziening dat ook een verzoek bevat om aan het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging of de geldigheid van een bepaling van Unierecht voor te leggen, moet aangeven waarom zij geen verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, namelijk hetzij omdat de opgeworpen vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil, hetzij omdat de betrokken bepaling van Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd, hetzij omdat de juiste uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan.