Direct naar content gaan

Samenvatting

In deze zaak heeft het Sloveense Hooggerechtshof (Vrhovno sodišče) aan het HvJ prejudiciële vragen gesteld in het kader van een douaneprocedure.

Gevraagd is of het Unierecht zich verzet tegen een nationale bepaling of praktijk volgens welke een nationale rechterlijke instantie die in laatste aanleg uitspraak doet in een procedure inzake het verlenen van toestemming voor het instellen van beroep tot herziening, niet hoeft te onderzoeken of zij verplicht kan zijn om het HvJ een of meer prejudiciële vragen te stellen, ook al heeft een partij haar verzocht dit te doen.

Het HvJ verklaart voor recht dat artikel 267, derde alinea, VWEU verhindert dat een nationale rechterlijke instantie, wier beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep, in een dergelijke situatie een verzoek tot herziening afwijst zonder te onderzoeken of zij verplicht was een prejudiciële vraag aan het HvJ voor te leggen, voor zover de uitkomst van de zaak afhangt van de betekenis van een Unierechtelijke kwestie voor de rechtszekerheid, de uniforme toepassing van het recht of de ontwikkeling ervan.

Als het verzoek wordt afgewezen, moet de nationale rechterlijke instantie uitleggen waarom zij geen vraag aan het HvJ heeft voorgelegd. Dit kan zijn omdat (i) de vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil, (ii) de betrokken bepaling al door het HvJ is uitgelegd, of (iii) de juiste uitleg van het Unierecht zo duidelijk is dat er geen redelijke twijfel over bestaat.

Metadata

Rubriek(en)
Europees belastingrecht
Belastingtijdvak
2024 e.v.
Instantie
HvJ
Datum instantie
15 oktober 2024
Rolnummer
C-144/23
ECLI
ECLI:EU:C:2024:881
Auteur(s)
prof. mr. dr. M.F. de Wilde
Erasmus Universiteit Rotterdam / PwC
NLF-nummer
NLF 2024/2402
Aflevering
29 oktober 2024
Judoregnummer
JCDI:NFB6631
bwbv0001506&artikel=267,bwbv0001506&artikel=267

Naar de bovenkant van de pagina

Cookies.

Onze website maakt gebruik van cookies om het gebruik en functionaliteit te waarborgen van deze website. Meer over ons cookiebeleid